Terug naar hoofdinhoud

Wat gastsprekers zoal meemaken…

Januari is voor preekplanners en voorgangers dé maand om de agenda voor het komende jaar te vullen. Via mailtjes en appjes wordt de dans der data zorgvuldig afgestemd, tot alle zon- en feestdagen zijn voorzien.

Zelf behoor ik inmiddels zo’n twee decennia tot de categorie gastsprekers. Het aantal ‘spreekbeurten’ tel ik niet meer — het zullen er honderden zijn. Vaak met veel genoegen, maar soms ook… anders.

Recent deelde ik een aantal ervaringen in een vriendengroep van theologen die allemaal gastspreker zijn. Tot mijn verrassing was de herkenning groot. Verhalen varieerden van hilarisch tot schrijnend, soms ronduit onveilig. Een kleine selectie:

  • Je komt ruim op tijd binnen en krijgt vanuit de keuken toegeschreeuwd: “Je bent veel te laat man!” (Had de eigen mail niet gelezen.)
  • Een belletje “even over de preek” van een gemeentelid. Ik had het vast goed bedoeld, maar sloeg de plank volledig mis — en diende vooral de tegenstander. Sloot af met: “Zegen nog in je bediening!”
  • Ontvangst door een geluidsman die direct leegloopt in een tirade over de organisatie. Ook welkom.
  • Een ontmoeting met zangleiders en technici die, ná het gebed om eenheid, ontaardt in een discussie over microfoons.
  • Pianisten die feilloos aanvoelen wanneer jij je preek moet afronden.
  • Iemand raakt gepikeerd over opmerkingen die verkeerd onthouden zijn en meld zich een paar dagen later vol frustratie in de inbox. Lang leve de livestream! “Oeps, sorry!”
  • Warme uitnodigingen van gemeenten, gevolgd door acht mogelijke data in juli en augustus — of die ene zondag tussen kerst en oudjaar.
  • Je bent gevraagd voor een gewone dienst, maar het blijkt ineens een jeugddienst. Of je ook kunt rappen?
  • Iemand die gewoon even aan je vraagt: “Je zag er trouwens slecht uit. Gaat het wel goed met je?”
  • Gemeenteleden die hun conflict schreeuwend uitvechten op de parkeerplaats. Inclusief publiek.
  • En ja: mensen die na afloop vooral willen weten welk merk schoenen je draagt — om ze vervolgens exact na te kopen.

Daarom, enkele tips voor kerken die met gastsprekers werken.

1. Communiceer — maar met mate

Een mail vooraf met datum, locatie, tijden en rol in de liturgie is fijn. Iets over het jaarthema? Prima. Maar drie A4’tjes met gedetailleerde instructies, tot de gewenste preekstijl aan toe, is overvragen. Ook onhandig: vijf betrokkenen die ieder apart “even willen afstemmen”. Spreek af wie contactpersoon is en houd het beknopt.

2. Denk na over de ontvangst

Wie heet de gastspreker welkom? Hoe ziet het laatste halfuur eruit? Is er ruimte voor stilte en voorbereiding? Wordt koffie of thee aangeboden? En wie regelt het gebed met oudsten en zangleiders? Laat de gastspreker niet zelf zijn weg zoeken langs techniek en teams.

3. Stem tijden intern goed af

Verwacht je dat de gastspreker veertig minuten vooraf aanwezig is? Zorg dan dat anderen er ook zijn. Niets zo onnodig als irritatie omdat iemand denkt op tijd te zijn, terwijl de rest al in de stress zit.

4. Maak uiterlijk geen gespreksonderwerp

Opmerkingen over kleding, kapsel of schoenen zijn meestal overbodig. Opmerkingen als “Je ziet er vermoeid uit” zijn dat altijd. Vrouwelijke collega’s krijgen hier structureel meer van te verduren — vaak vlak voor de dienst. Hoe vinden we eigenlijk dat je met gastsprekers omgaat?

5. Check de feiten voordat je reageert

Wil je reageren op de preek? Mooi. Vraag wel even of dat nu kan. Sommigen staan daar direct voor open, anderen moeten eerst landen. Mails vol stellige meningen, zonder vragen — of over dingen die niet zijn gezegd — helpen niemand. Twee minuten de livestream terugkijken had vaak al veel frustratie gescheeld: werd écht gezegd wat je dacht dat gezegd werd? En als er een klacht binnenkomt bij jullie oudstenraad: stuur je die klakkeloos door, of neem je als raad ook verantwoordelijkheid?

6. Niet elke zondag kan het hele evangelie klinken

Aan een preek gaat minimaal 16 tot 24 uur voorbereiding vooraf. De uiteindelijke 20 à 25 minuten is slechts het topje van de ijsberg. We kunnen dus per definitie meer níét zeggen dan wel.
Opmerkingen als “Dit miste ik” kunnen terecht zijn — maar ook: er komen meer zondagen. Het evangelie is te groot om elke keer volledig te omvatten.

Voorgangers vangen veel wind. Dat weten we, en daar leiden we studenten ook voor op. Mijn vrienden en ik kunnen vaak lachen om de hilariteit en leren van de feedback. Wakker liggen doen we er niet van. Maar wij zijn rond de veertig. Met enige stevigheid. Wat als je beginnend voorganger bent? Student? Verlegen? Zenuwachtig? Of simpelweg even niet lekker in je vel?
We zijn niet van suiker, maar ook niet van beton. De vraag is simpel: hoe zou je zelf ontvangen willen worden?

Afgelopen jaar was ik te gast bij een gemeente waar een gastvrouw me al stond op te wachten. Jas werd aangenomen. Een vraag naar de reis. Koffie of thee? Daarna: “We hebben een ruimte voor je waar je even tot rust kunt komen.” Toen ik later mijn microfoon wilde ophalen: “Ben je mal, die kom ik straks wel brengen hoor!” Na afloop volgde een korte online enquête over ontvangst, afstemming en de dienst. Voor sommigen overdreven, maar hier was het doordacht. Een andere kerk biedt standaard een lunchpakket aan richting voorgangers.

Klinkt voor velen misschien zwaar overtrokken, maar zó kan het dus ook… Namens menig gastspreker zou ik willen zeggen: doe er je voordeel mee!

Marijn Vlasblom is docent aan het Seminarium, betrokken bij de Millenial Challenge en gastspreker. 

Advent: Niet alleen, maar samen

Advent is altijd een beetje dubbel. Ik hou van de vertraging die er eigenlijk in zit: meedeinen op het ritme van het kerkelijk jaar, een tijd van bezinning en verwachting. En tegelijkertijd is het in mijn werk als voorganger vaak juist een tijd van hollen. Ik probeer dat toch altijd af te remmen. Het is zo belangrijk om niet alleen maar te doen en te rennen, maar juist ook te (ver)wachten. En dat (ver)wachten, daarvan ontdek ik, dat is iets wat je zelden alleen volhoudt.

Het mooie is dat we in de Bijbel ook zien hoe (ver)wachten iets is dat je gezamenlijk mag doen. Israël wacht op de Messias. En wanneer Maria in verwachting is gaat ze naar Elisabeth. Simeon en Hanna staan al jaren in de tempel, wachtend, biddend en hoopvol. Zo is Advent dan ook niet enkel een individuele geloofsoefening, maar een gezamenlijk verlangen.

Dat raakt me, in de gemeente en bij onze geloofsfamilie, de Unie-ABC. Ik zie hoe geloof vaak heel persoonlijk wordt beleefd: mijn geloof, mijn vragen, mijn zoektocht. Dat is begrijpelijk. Maar geloof is nooit ‘slechts’ een soloproject. Het groeit en wordt gevoed (en soms zelfs gedragen) door anderen – een geloofsfamilie.

Juist in de tijd waarin wij leven, waarin veel gemeenten zoeken naar hun toekomst en waarin jongeren zich soms nauwelijks herkennen in vormen, wordt dat zichtbaar. Geloof wordt niet alleen overgedragen via cursussen, toerusting of beleid. Het wordt vooral doorgegeven in relaties. In gesprekken na de dienst, in het samen vieren en beleven. In het zien hoe iemand anders wacht, hoopt en soms ook twijfelt – in eerlijkheid.

Ik denk aan de ontmoetingen tijdens het Unie-ABC missieweekend, waar generaties naast elkaar zaten. Ouderen die al een leven lang onderweg zijn, jongeren die zoeken naar woorden voor hun geloof. En ergens daartussen gebeurt er iets wezenlijks: geloof wordt niet enkel uitgelegd, maar voorgeleefd.

Laat me je drie vragen stellen voor deze Advent, om mee te nemen in deze tijd:

  • Met wie (ver)wacht ik eigenlijk samen?
  • Wie kijkt mee in mijn geloof, ook als het schuurt?
  • Hoe leef ik voor vanuit de hoop, ook als het nog niet vervuld is?

Ik bid dat Advent ons helpt te herinneren dat we een familie zijn, door God zelf bijeengeroepen. Niet omdat we alles hetzelfde zien, maar omdat we samen uit mogen zien naar dezelfde komst. En misschien is dat wel één van de mooiste gaven van de kerk: Je hoeft nooit alleen te wachten (waarbij je het accent wat mij betreft wisselend mag lezen op ‘hoeft’, ‘alleen’ en ‘wachten’)

Johan Otten is bestuurslid bij Unie-ABC en voorganger bij BG Apeldoorn. 

Zomaar wat gedachten over bidden

Ik houd steeds meer van bidden. Dat klinkt misschien gek voor iemand die van kinds af aan gelovig is. Maar ik moet bekennen dat echt gaan zitten en ruim de tijd nemen voor gebed er voor mij gemakkelijk bij in schiet. De laatste jaren kom ik echter steeds meer tot de overtuiging dat het mijn leven in een ander perspectief zet als ik tijd met God prioriteit geef. Ik heb er zomaar wat gedachten over opgeschreven.

Lees verder

Zalig alles wat piept, kraakt en klein is!

Soms kies ik voor een wat langere route door Friesland wanneer ik op pad ben als regio-coördinator Noord. Dan rijd ik met plezier van het ene dorp naar het andere en ontdek ik plaatsnamen die ik maar met moeite kan uitspreken. Als een diep-Fries mij op dat moment zou horen - daar, alleen achter het stuur, stamelend over die namen - dan zou zijn of haar klomp gegarandeerd breken. Op zulke momenten voel ik me even een toerist in eigen (Fries)land. Het roept meestal ook iets nostalgisch in me op: een verlangen naar het dorpse leven, naar een tijd waarin alles nog letterlijk én figuurlijk om de kerk heen gebouwd was. Ik had zó ‘Toen was geloof heel gewoon’ van Stef Bos kunnen opzetten in de auto: “Heel het leven stond geschreven, van de wieg tot aan het graf … maar die tijd van Tien Geboden, ze viel langzaam uit elkaar …”

Wie het over secularisatie wil hebben, hoeft echt niet naar de grote stad. Je hoeft er niet voor naar de Randstad. En ‘pionieren’ is heus niet alleen weggelegd voor buurthuizen in bepaalde stedelijke wijken. Dat mag allemaal best, natuurlijk. En ook het Zuiden verdient onze Missie-dagen. Maar mag ik nu even preken voor mijn eigen parochie(s)? Mag ik het gewoon even voluit hardop denken? Is er iémand die zegt: “Heer, hier ben ik! Stuur mij!” wanneer de roep van God klinkt vanuit een klein, vergrijzend dorpskerkje dat voor velen nergens meer op de kaart staat?

Niets ten nadele van de geweldige studenten ‘Missie in seculiere context’ die ik de afgelopen weken als docent mocht ontmoeten. Maar toch voel ik een behoorlijke kloof tussen wat wij vanuit het baptisten seminarium in het ‘grote’ Amsterdam onderwijzen en de kerkelijke realiteit van dorpsgemeenten ‘ver weg in het hoge Noorden’. Hoe krijgen we die twee werelden ooit bij elkaar? Aan de ene kant die jonge, veelbelovende, gepassioneerde en denkende ‘dieners’; aan de andere kant die geloofsgemeenschappen die met pijn, moeite en grote offers volharden in trouw, in samenkomen, in de weg van Christus volgen. Voor sommige plekken lijkt het, menselijk gesproken, “erop of eronder” de komende jaren.

Wat er nodig is om die werelden met elkaar te verbinden? Ik denk… bekering. Toen ik zelf begon - net 24, met mijn ‘blote poten’ in het Drentse veen - schreef ik een preek voor mijn toen sterk vergrijsde dorpsgemeente. Een Adventstekst greep me zo diep aan dat ik nu gerust kan spreken van een bekering die ik zelf moest ondergaan. Het was de profeet Micha die zo krachtig tot mijn hart sprak: “En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda…” Díe kwam binnen! God kiest nota bene een dórp uit. Een dorp! En niet eens het mooiste, leukste of meest bekende, maar juist één die ‘klein is’ onder Juda’s geslachten.

Als God Zelf ervoor kiest om Zijn heerlijkheid te laten zien in een dorp, dan is er toch hoop voor elk ander dorp vandaag? In het Koninkrijk van Koning Jezus is geen plek, geen gehucht, te klein of te ver heen, of te zeer afgeschreven door stadse hoogmoed of menselijke ambitie. “Al zijt gij klein…” - het maakt voor Jezus’ komst totaal niet uit. Dus toch ook niet voor jou of mij?

Ja, als de diensten er minder ‘shiny’ zijn, als het combo (of het orgel) wat minder soepel gaat, als dezelfde gordijnen er al tachtig jaar hangen, als je er over tig rollators kunt struikelen - kijk toct vérder en verwacht vooral dat Gód er wil en zál zijn. Ja, misschien (!) is Hij daar zelfs wel meer aanwezig dan op die plekken waar de zondagse show zó vlekkeloos verloopt dat Gods genade en ingrijpen bijna overbodig lijken. Dus: zalig alles wat piept en kraakt en klein is!

Laten we ons bekeren van onze grootse dingen, onze giga-shows … en ons opnieuw toewenden - net als Christus - tot het nederige, het onbeholpene, het onbeduidende in de ogen van de wereld. Want - zoals Jezus’ onbeduidende moeder al zong - dáár zul je deze Koning ontmoeten: “Wie hoogmoedig zijn in de gedachten van hun hart, drijft Hij uiteen … maar nederigen zal Hij verhogen” (Lukas 1:51–52).

Maurits Luth is predikant, regio-coördinator Noord bij Unie-ABC en docent ‘Missie in seculiere context’ aan het Baptisten Seminarium.

Maurits blog

Het mooie kleinste kerkje van regio Noord - Workum - waar op zondag een klein aantal (twintig) stoelen klaarstaan, mag zéker ‘Beth-El’ heten: huis van God.

Jezus voelt met ons mee

Een grote groep mensen trekt richting een klein Fries dorp aan de rand van het IJsselmeer. De meesten van hen zijn in het zwart gekleed. De zon schittert op het water, een lijnbus rijdt voorbij alsof er niets is veranderd deze week. Ze passeren een boerderij waar twee Friese paarden tot stilstand komen om de stoet in zich op te nemen. Er wordt weinig tot niet gesproken – een rustpunt in een hectische week.

Lees verder